
Sport in de verkiezingsprogramma’s: wie spreekt zich uit en wie niet?
Met de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht presenteren Amsterdamse partijen hun plannen voor de komende vier jaar. Sport en bewegen worden door vrijwel alle partijen als belangrijk gezien. Tegelijk laat een nadere blik op de verkiezingsprogramma’s zien dat partijen sterk verschillen in de mate waarin zij sport ook daadwerkelijk uitwerken als beleidskeuze.
Sport duikt in bijna elk verkiezingsprogramma wel ergens op. Soms in een alinea over gezondheid, soms verstopt tussen ambities over leefbaarheid of preventie. Maar wie verder kijkt dan de algemene waardering, ziet duidelijke verschillen. Niet in de vraag óf sport belangrijk is, maar in wat partijen er concreet mee willen doen.
Om die verschillen zichtbaar te maken, legde de Sportraad Amsterdam de verkiezingsprogramma’s langs vier vragen over sport en maatschappij. Daarbij ging het niet om mooie woorden, maar om keuzes. Want wat partijen niet benoemen, krijgt in de praktijk zelden prioriteit.
Sport en gezondheid: middel of bijzaak?
De eerste vraag raakt meteen aan een spanningsveld. Zien partijen sport en bewegen als onderdeel van gezondheid en preventiebeleid, of laten ze die koppeling liggen?
Een aantal partijen kiest duidelijk positie PvdA, CDA en D66 presenteren sport in hun verkiezingsprogramma’s expliciet als middel om gezondheidsproblemen voor te zijn en bewegingsarmoede te beperken. Sport krijgt daarmee een concrete rol binnen een beleidsdomein waar gemeenten daadwerkelijk invloed hebben.
Andere partijen blijven hier terughoudender. JA21 en Forum voor Democratie noemen sport wel als waardevol, maar zeggen weinig over wat de gemeente daarin zou moeten betekenen binnen het gezondheidsbeleid. Dat verschil is veelzeggend. Sport inzetten als preventiemiddel vraagt om actieve sturing, samenwerking en investeringen en niet elke partij lijkt die verantwoordelijkheid expliciet te willen nemen. Tegelijk roept die koppeling ook vragen op. Wanneer sport vooral wordt benaderd als zorginstrument, dreigt het beleid te versmallen. Sport is dan vooral ‘goed’ omdat het geld kan besparen, terwijl waarden als plezier, ontmoeting en verenigingsleven naar de achtergrond verdwijnen. Partijen die de koppeling met preventie vermijden, lijken sport juist breder te willen benaderen of kiezen ervoor die discussie simpelweg niet te voeren.
Sport voor kinderen: waar solidariteit zichtbaar wordt
Bij sport voor kinderen verdwijnen de nuances snel. Iedereen is het erover eens dat sporten goed is. De verschillen zitten ergens anders: in de vraag wie ervoor moet zorgen dat ieder kind ook daadwerkelijk mee kan doen.
Een deel van de partijen maakt daar een duidelijke keuze. PvdA, GroenLinks, CDA en VVD benoemen in hun verkiezingsprogramma’s expliciet dat geld geen reden mag zijn om niet te sporten. Ze verwijzen naar regelingen, fondsen of vormen van gratis sportaanbod en leggen daarmee de verantwoordelijkheid nadrukkelijk bij de gemeente. JA21, Forum voor Democratie en Volt spreken wel over het belang van sport voor kinderen, maar zeggen niets over wat er moet gebeuren als sport simpelweg te duur is. De rol van de gemeente blijft vaag, waardoor onduidelijk wordt of sportdeelname wordt gezien als publieke taak of als iets dat vooral bij ouders en verenigingen hoort.
Verenigingen: gewaardeerd, maar niet altijd erkend
Sportverenigingen zijn in Amsterdam meer dan plekken waar wordt gescoord en gewonnen. Ze zijn ontmoetingsplekken, draaien op vrijwilligers en vormen voor veel wijken een sociaal anker. De vraag is alleen of partijen die rol ook daadwerkelijk terug laten komen in hun beleid.
Een deel van de partijen doet dat nadrukkelijk. PvdA, CDA, GroenLinks en D66 benoemen sportverenigingen in hun verkiezingsprogramma’s expliciet als maatschappelijke partners. Zij besteden aandacht aan ondersteuning, vrijwilligersbeleid, accommodaties en verduurzaming. Verenigingen worden daarbij niet alleen gezien als aanbieders van sport, maar als onderdeel van de sociale infrastructuur van de stad.
Andere partijen blijven voorzichtiger. VVD en JA21 spreken wel waardering uit voor verenigingen, maar houden het bij praktische steun of lastenverlichting. De bredere maatschappelijke rol van sportverenigingen blijft daarbij onuitgesproken. Dat verschil is subtiel, maar betekenisvol. Er zit een wereld van verschil tussen een vereniging zien als sportaanbieder en haar erkennen als plek waar ontmoeting, participatie en samenhang samenkomen.
Opvallend is dat sommige partijen sportverenigingen nauwelijks expliciet benoemen. In een stad waar veel beleid leunt op het verenigingsleven, is ook dat geen neutrale keuze.
Ruimte voor sport: zeldzame overeenstemming
In een stad die steeds voller wordt, is ruimte nooit vanzelfsprekend. Wonen, werken, groen en mobiliteit vechten om elke vierkante meter. Tegen die achtergrond is het opvallend dat juist over ruimte voor sport relatief veel overeenstemming bestaat.
Partijen van links tot rechts, waaronder PvdA, VVD, CDA, D66, GroenLinks en JA21, spreken zich in hun verkiezingsprogramma’s uit voor het hanteren van een sportnorm of het expliciet meenemen van sportvoorzieningen bij nieuwbouw en gebiedsontwikkeling. Sport wordt daarmee niet langer gezien als iets wat achteraf nog ‘erbij’ moet, maar als basisvoorziening die vanaf het begin onderdeel is van de stad.
Wat zeggen deze verschillen?
Uit de analyse blijkt dat geen enkele partij tegen sport is. De verschillen zitten niet in afkeer, maar in prioriteit en uitwerking. Partijen als PvdA en CDA maken sport op meerdere terreinen expliciet onderdeel van hun beleid, terwijl andere partijen sport vooral algemener benaderen of onderwerpen onbesproken laten.
Voor de komende raadsperiode betekent dit dat sportbeleid in Amsterdam sterk afhankelijk zal zijn van welke partijen zich daadwerkelijk hebben uitgesproken en waarover. Sport is geen vanzelfsprekend politiek thema. Wie het belangrijk vindt, legt het vast. Wie dat niet doet, laat ruimte voor interpretatie, onderhandeling en debat. Juist die verschillen maken sport relevant in aanloop naar de verkiezingen. Niet omdat partijen het oneens zijn over het belang van sport, maar omdat zij uiteenlopende keuzes maken over wat sport in de stad moet betekenen.